St.Petersburg.
De Nevskij Prospekt.
De Nevskij Prospekt is de hoofdstraat van Sint-Petersburg.
Van 's morgens vroeg tot 's avonds laat lopen er mensen af en aan. Van de Admiraliteit tot het Moskouse station en in
een lichte bocht naar het zuiden tot het Nevskijklooster
loopt de Nevskij, zoals hij kortweg door de Peterburgers wordt genoemd, met een lengte van meer dan 4,5 km
waaraan paleizen, kerken, warenhuizen, winkels, restaurants, cafés, theaters, bioscopen, banken, kantoren
en woonhuizen liggen. Er mogen geen vrachtwagens in de 25 tot 60 m brede prospekt rijden, desondanks wordt het
verkeer van bussen, taxi's en personenauto's jaarlijks dichter.
Na de bouw in 1704 van de werf voor de vloot van Peter de Grote bij de huidige Admiraliteit werden de primitieve
wegen door de moerassige grond al spoedig volledig
overbelast, zodat de tsaar een brede verharde straat naar de oude handelsstraat richting Novgorod liet aanleggen.
In 1710 stichtte Peter aan de linkeroever van de Neva het Aleksandr Nevskijklooster, dat eveneens een verbinding
met het nieuwe tracé, het 'Grote perspectief' kreeg. Tot de rivier de Mojka loopt de 'Admiraliteitsweide', daarachter
ontstonden al spoedig de eerste huizen en winkels. In 1738 kreeg de straat de naam Nevskij-perspectief, en enkele
tientallen jaren later noemde men haar de Nevskij Prospekt. Reeds rond 1750 was de Nevskij de hoofdstraat
van de stad, dicht bebouwd tot aan de Fontanka, die de
stadsgrens vormde. Op de brug stond een wachtpost, hier bevonden zich de kazernes van het
Preobrasjenskij-regiment. Pas in de 19e eeuw breidde Sint-Petersburg zich verder uit naar het zuiden en oosten;
het zachte, geluiddempende houten plaveisel werd
vervangen door stenen kinderhoofdjes; er kwamen banken, beurzen en hotels tussen de warenhuizen en paleizen.
Nergens kunt u de ontwikkeling in de architectuur van het begin van de 18e tot aan het begin van de 20e eeuw beter
bekijken dan aan de Nevskij.
We beginnen met de bezichtiging van de Nevskij bij de Admiraliteit. Huizen met een even nummer staan aan de
noordzijde en huizen met een oneven nummer aan de zuidzijde.
In de vroegere Wollenbergbank (nr. 9 op de hoek van de Gogolstraat) is tegenwoordig het kantoor van Aeroflot
ondergebracht. Het huis werd in 1912 door de architect M.
Peretjatkovitsj gebouwd en doet met zijn arcaden en gevelversiering een beetje aan het dogenpaleis in Venetië
denken. Voor de revolutie telde men alleen al op het stukje tot aan de Fontanka 28 banken.
Het huis op nr. 8 met een gevel met medaillons, mascaronen, vazen en een fries van
gevleugelde leeuwen is een kunstgalerie; hier kunt u werken van de moderne plaatselijke kunstenaars kopen.
n 1939 werd het gymnasium (nr. 14) gebouwd. Op de muur van het huis leest u: 'Burgers! Bij een beschieting door de
artillerie is deze kant van de straat zeer gevaarlijk.' Een herinnering aan de 900 dagen durende blokkade van
Leningrad in de Tweede Wereldoorlog. Zo nu en dan legt er iemand bloemen onder het opschrift.
De Herzenstraat verbindt de Nevskij Prospekt met het Slotplein en loopt door tot aan het Isaaksplein. De architect
Karel Rossi bracht het bovenste gedeelte van de Herzenstraat in een lijn met de nulmeridiaan van de in
1839 gebouwde sterrenwacht van Poelkovo in het zuiden van Sint-Petersburg. Deze nulmeridiaan was tot 1917 de
norm voor alle Russische kaarten en atlassen. Wanneer de huizen in de Herzenstraat 's
middags geen schaduw op de straat werpen kunt u uw horloge op de zon gelijk zetten, u
moet in de zomer echter rekening houden met de zomertijd. Tegenwoordig bevindt zich in Poelkovo het
Astronomisch Observatorium van de Academie van Wetenschappen van Rusland. Aleksandr Herzen
(1812-1870) werkte sinds 1847 als sociaal-revolutionaire
schrijver in Parijs en Londen.
In het huis op nr. 18, het Kotominhuis (genoemd naar de eerste eigenaar), bevond zich het beroemde Café Chinois
van Wolf en Béranger, waarin de dichter Aleksandr Poesjkin
op 8 februari 1837 een afspraak had met zijn vriend en secondant Konstantin Dantsas, om voor de laatste keer
samen een kop koffie te drinken voordat ze naar het fatale duel met de Franse immigrant Georges d'Anthès gingen
waardoor Poesjkin twee dagen later stierf. Aantastingen van de eer van zijn mooie jonge vrouw Natalja Gontsjarova
in het openbaar hadden hem tot dit duel gedwongen. Het huis werd door Vassilij Stassov tussen 1812 en 1815
opgebouwd.
In 1985 werd het schrijverscafé in de stijl van eind 19e eeuw gerestaureerd en met meubelen, gobelins en
gravures uit het Poesjkinmuseum ingericht; tegenwoordig worden hier poëzie-avonden en kamerconcerten gehouden.
Het huis met de zuilen (nr. 15) stamt uit 1760. Ernaast werd in 1855 het theaterseizoen geopend door het eerste
professionele theatergezelschap van Sint-Petersburg. Naast
dit 'slottheater' opende de beeldhouwer Falconet in 1768 zijn werkplaats, waar hij de Bronzen ruiter creëerde.
Tegenwoordig bevindt zich in het vroeg-classicistische huis met de zuilen de bioscoop 'Barricade'.
De Nevskij Prospekt loopt via de Volksbrug (Narodnu Most) over de Mojka.
Het prachtige gebouw aan de overkant van de Mojka, het Stroganovpaleis, werd tussen 1753 en 1760 gebouwd door
Bartolomeo Rastrelli, de schepper van het Winterpaleis. De
opdracht-gever, Sergej Stroganov, behoorde tot een van de rijkste en belangrijkste families van Rusland, die van de
15e eeuw af tot de revolutie een vooraanstaande rol
speelde op het gebied van politiek en cultuur. De Stroganovs bezaten in het gebied van de Oeral meer dan
negen miljoen hectaren land, rijk aan delfstoffen. Sergej was een
vertrouweling van tsarina Elizabeth. Toen hij in 1756 stierf zette zijn zoon Aleksandr Stroganov de
bouwwerkzaamheden voort. Elizabeth verhief deze tot graaf en benoemde hem tot ambassadeur aan het Weense hof.
Catharina II stelde hem aan als senator, Paul I maakte hem president van de Academie van Kunsten en ten tijde van
Alexander I was hij weer lid van de Senaat.
Met het Stroganovpaleis creëerde Rastrelli een meesterwerk van de Russische barok. Een sobere boogpoort in rustica
vormt de ingang aan de Nevskij Prospekt. Stucwerk met
maskers en leeuwekoppen omlijst de vensters. De mooiste gevel ligt aan de Mojka. Vier Corinthische driekwart zuilen
rijzen vanaf het langgerekte balkon naar de driehoekige
gevel met het familiewapen van de Stoganovs omhoog. De witte zuilen en sierelementen steken prachtig af tegen het
donkergroen van de muren. Oorspronkelijk was het paleis
in fel oranje en wit uitgevoerd. Na een brand tegen het eind van de 18e eeuw ontwierp de architect Andrej Voronichjin,
vermoedelijk een onwettige zoon van Aleksandr Stroganov, het nieuwe interieur van het paleis dat tegenwoordig nog in
de grote zaal, in de schilderijengalerij en in het mineralenkabinet bewaard is gebleven. U kunt het paleis
helaas niet bezichtigen, omdat hier diverse diensten van het stadsbestuur zijn ondergebracht. Men is echter van plan
het Stroganovpaleis als afdeling van het Russisch Museum toegankelijk te maken.
Aan de noordkant van de Nevskij Prospekt mochten niet-orthodoxe gemeentes hun kerk bouwen. Zo ontstond in
1837 de Hollandse kerk (nr. 20), een gebouw van P. Jacquot naar voorbeeld van het mausoleum van de
Romeinse keizer Diocletianus in Split in Joegoslavië. De Hollandse ambassadeur bewoonde de beide zijvleugels.
Tegenwoordig is er in de kerk de Aleksandr Blok bibliotheek ondergebracht. Aleksandr Blok (1880-1921) was de
belangrijkste dichter van het Russische symbolisme. Hij verheerlijkte zowel het religieuze als het revolutionaire
Rusland.
In het volgende huizenblok staat, een beetje verscholen, de lutherse Petrus en Pauluskerk uit 1730. In 1838 werd zij
door de architecten Aleksandr Brullov en Georgij Tsollikoffer in neoromaanse stijl verbouwd. Tegenwoordig is in de kerk
een natuurkundig opleidingsinstituut ondergebracht.
Tot de meest indrukwekkende gebouwen in Sint-Petersburg behoort de kathedraal van de Moeder Gods van Kazan (de
Kazaanse kathedraal), een meesterwerk uit de bloeiperiode van het Russische classicisme. Tsaar Paul I gaf kort voordat
hij werd vermoord de architect Andrej Voronichjin de op-dracht de kerk te bouwen, waar de icoon van de
Wonder-doende Maagd moest worden geplaatst; deze werd in 1579 in Kazan ontdekt, vervolgens naar Moskou gebracht
en uiteindelijk in 1710 naar Sint-Petersburg vervoerd. In 1904 werd de icoon uit de kathedraal gestolen en is
sindsdien onvindbaar.
Paul I wilde graag een verkleind model van de Pieterskerk in Rome, inclusief de colonnades van het Sint-Pietersplein.
Maar toen de bouwwerkzaamheden in 1801 begonnen zat Alexander I al op de Russische troon; hij gaf Voronichjin de
vrije hand, zodat deze een volkomen origineel bouwwerk
ontwierp waarbij alleen nog de koepels en grote zuilengangen aan het voorbeeld in Rome herinneren.
Voronichjin gebruikte voor de koepels voor de eerste keer ijzeren draagbalken en voor het gehele gebouw een zacht,
gemakkelijk te bewerken gesteente, dat blootgesteld aan
de lucht geleidelijk aan zeer hard wordt. In 1811 werd de kathedraal ingewijd.
Het 72m lange centrale gebouw bereikt een hoogte van 70m. Voor de drie ingangen in het westen, noorden en zuiden
staan zuilenhallen met zes maal drie zuilen. De massieve
halfronde colonnade met 144 Corintische zuilen op een hoog voetstuk is open aan de kant van de Nevskij Prospekt;
iedere zuil is 13m hoog. De beide attica's aan de uiteinden
van de colonnade zijn gedecoreerd met bijbelse motieven.
Links herkent u het thema 'Mozes slaat water uit een rots in de woestijn' van de beeldhouwer Ivan Martos, rechts 'Mozes
plaatst de koperen slang op een staak' van de beeldhouwer Ivan Prokofjev. In de noordelijke porticus staan bronzen
plastieken van de vorsten Vladimir en Aleksandr Nevskij (van Stepan Pimenov), Johannes de Doper (van Ivan
Martos) en de apostel Andreas (van Vassilij Demoet-Malinovskij). De bronzen deuren van de noordelijke
ingang zijn kopieën van de Paradijspoort van het Baptisterium San Giovanni Battista in Florence, dat de
Italiaanse beeldhouwer Lorenzo Ghiberti in 1452 na 27 jaar werken voltooide.
56 roze monolieten van Fins graniet dragen Corintische bronzen kapitelen. Kleurige mozaïeken van Karelisch
marmer liggen op de vloer. De grootste schilders van Rusland, Vladimir Borovikovskij (1757-1825), Orest
Kiprenskij (1782-1836), Karl Brullov (1799-1852) en anderen beschilderden de muren en plafonds.
Na het einde van de Napoleontische oorlog werd de kathedraal een monument voor de glorie van het Russische
leger. Daar waar maarschalk Koetoesov voor de slag bij Smolensk gebeden heeft is nu zijn graf. Vlaggen van de
Grande Armée en de sleutels van de veroverde vestingen herinneren aan de vaderlandse oorlog van 1812. Sinds
1932 dient de kathedraal als museum van de geschiedenis der religies en het atheïsme. In
1837 werden ter gelegenheid van de 25e herdenkingsdag van de Napoleontische oorlog voor de kathedraal de standbeelden
van de Russische legeraanvoerders Michail Koetoesov en Barclay de Tolly, onthuld, van de hand van de beeldhouwer
Boris Orlovskij.
Het plein voor de kathedraal van de Moeder Gods van Kazan, het Kazanskaja Plosjtsjad, tegenwoordig een mooi
park met altijd bezette banken, was dikwijls een plek van revolutionaire actie. In 1876 sprak Georgij Plechanov
(1856-1918), theoreticus en propagandist van de Rus-sische sociaal-democratie, toentertijd nog student aan de hogeschool voor mijnbouw en aanhanger van
de narodniki, hier de stakende arbeiders toe. In 1897 protesteerden studenten van Petersburg voor de kathedraal
na de zelfmoord van hun medestudent Vetrova in de Peter-Paulvesting. In 1901 waren het weer studenten, die
hier demonstreerden tegen de uitschrijving uit de universiteitsregister en rekrutering als soldaat van 183
studenten uit Kiev. In 1905 kwamen er op het Kazaanse plein duizenden arbeiders bijeen om op te trekken naar het
Winterpaleis, waar de troepen van de tsaar de vreedzame demonstratie de kop
indrukten ('Rode zondag').
Het met graniet beklede hoekhuis met een glazen toren waarop een wereldbol aan het Gribojedovkanaal behoorde
tot 1917 aan het Amerikaanse naaimachinebedrijf Singer.
Tegenwoordig is hier het Huis van het boek (Dom Knigi) gevestigd, waar de grootste boekhandel van
Sint-Petersburg op de twee onderste verdiepingen te vinden is en de diverse uitgeverijen op de etages erboven.
In het volgende huizenblok aan de overkant van het Gribojedovkanaal staat iets naar achter de vroegere
katholieke Sint-Catharinakerk, een classicistisch bouwwerk uit 1763-1783 van Vallin de la Mothe. In de kerk vindt u het
graf van Stanislas II Augustus Poniatovski, de laatste koning van Polen, die in 1798 in Petersburg stierf. Als
gezant van Augustus III, keurvorst van Saksen en koning van Polen, kwam deze telg van een rijke Poolse familie naar
de Neva en werd de minnaar van de latere tsarina Catharina de Grote. In 1764 dreef Catharina haar zin door
en maakte haar gunsteling koning van Polen. In 1795 moest hij troonsafstand doen en zijn laatste levensjaren
bracht hij in Petersburg door. In een ander graf rust de Franse generaal Moreau, die aan de kant van Rusland tegen
Napoleon streed en in 1813 in Dresden om het leven kwam.
Tussen de Sint-Catharinakerk en de Brodskijstraat ligt het grote hotel Jevropeskaja (= Europa) uit de tweede helft van
de 19e eeuw met het restaurant Sadko. De Brodskijstraat herinnert aan de sovjetschilder Isaak Brodskij (1894-1939)
en komt uit op het Plein der kunsten met het Russisch Museum, een klein theater voor opera en ballet en het
gebouw van het filharmonisch orkest van de stad.
Tegenover hotel Europa staat het gebouw van de vroegere Stadsdoema van Petersburg, in 1784 opgetrokken door
Giacomo Quarenghi. De brandwachttoren plaatste G. Ferrari
in 1804 voor het raadhuis. Later werd er op de toren een spiegel-telegraaf geïnstalleerd om een verbinding te leggen
tussen het Winterpaleis en de op een afstand van 30 km
gelegen zomerresidentie van de tsaar in Tsarskoje Selo (Poesjkin). De kleine,
classicistische porticus midden op de straat ontwierp Luigi Rusca; hier vindt u het theaterloket
voor buitenlandse toeristen. De voetgangerstunnels leiden naar het metrostation Nevskij Prospekt, het knooppunt van
de uit drie lijnen bestaande ondergrondse van Sint-Petersburg. Van hier uit komt u onder de grond bij het
metrostation Gostinuj Dvor.
Het volgende huizenblok wordt ingenomen door het warenhuis Gostinuj Dvor, tussen 1761 en 1785 gebouwd
door Jean-Baptiste Vallin de la Mothe in vroegclassicistische
stijl. De kooplieden van Petersburg financierden dit bouwwerk, dat het even grote handelsgebouw, dat op
deze plaats al in de eerste tientallen jaren na de stichting van de stad gebouwd werd, verving. De gevels met twee
verdiepingen arcaden bleven hetzelfde. Gostinuj Dvor is nog steeds het grootste warenhuis van de stad. Tijdens
reparatiewerkzaamheden in 1965 ontdekten bouwvakkers in een nis in de muur acht kleine goudstaven die een
zakenman daar vroeger had verstopt. De winkel had in de
18e eeuw al verwarming en een vijver in het midden van het complex zorgde voor bluswater.
Tegenover het warenhuis staat, net zoals de andere niet-othodoxe kerken iets achteraf, de Armeense kerk. Het
classicistische bouwwerk van Joerij Veldten (1780) is heel mooi geschilderd in blauw en wit. Iets oostelijker komt u bij
de Passage, een warenhuis voor dameskleding.
De zuidoostgevel van Gostinuj Dvor ligt aan de Tuinstraat of Sadovaja Oelitsa, die de Nevskij Prospekt kruist. Een
kleine honderd meter verderop komt u bij het Ostrovskijplein, een goed onderhouden park met een
standbeeld van Catharina de Grote en omgeven door een classicistisch complex, ontworpen door de stadsplanoloog
en architect Karel Rossi. Het monumentale zwart-granieten standbeeld is van de beeldhouwers Mikesjin, Tsjisjov en
Opekoesjin (1873). Het is een enorm beeld van de tsarina met hermelijnen mantel en een scepter in de hand. Op de
sokkel staan de belangrijkste personen uit de regeringsperioden van Catharina II: vorst Potjomkin
(Potemkin), die zijn voet op een Turkse tulband zet, de maarschalken Soevorov en Roemjantsev en Jekaterina
Dasjkova, de presidente van de Petersburgse Academie van
Wetenschappen, de dicher Dersjavin, admiraal Tsjitsjagov en anderen. De naam van het plein herinnert aan Aleksandr
Ostrovskij (1823-1886), de schepper van het nationale
Russische theater; zijn drama's 'Het bos' en 'Wolven en schapen' worden ook dikwijls in het buitenland opgevoerd.
Het reusachtige gebouw rechts is de Saltukov Sjtsjedrinbibliotheek, met 27 miljoen boeken, handschriften
en geluidsbanden, de op een na grootste bibliotheek van Rusland (na de Lenin-bibliotheek in Moskou). Michail
Saltukov (1826-1889) schreef onder het pseudoniem N. Sjtsjedrin maatschappelijke satires. In het Westen werd hij
vooral door zijn 'Geschiedenis van een stad', de komedie 'De dood van Pasoechjin' en de roman 'De heren Golovjov'
bekend.
Het eerste stuk van de bibliotheek werd tussen 1796 en 1801 op de hoek van de Tuinstraat door Igor Sokolov
gebouwd. In 1814 kreeg het publiek toegang tot de
bibliotheek. Door het sterk groeiende aantal boeken werd al spoedig een tweede gebouw noodzakelijk, dat Karel Rossi
tussen 1828 en 1832 uitvoerde in classicistische stijl. Deze
aanbouw werd meteen het hoofdgebouw van de bibliotheek. Op een rustica onderbouw rust een bovenbouw
met 18 zuilen, waartussen beelden van filosofen, geleerden en dichters uit de klassieke oudheid staan, zoals Homerus,
Plato, Euclides, Euripides, Hippocrates, Demosthenes, Vergilius, Tacitus, Cicero en Herodotus.
Demoet-Mali-novskij, Pimenov, Halberg en anderen waren de scheppers. In 1902 voegde de architect Vorotilov nog een derde gebouw toe aan de bibliotheek. Tot de
kostbaarste schatten van de bibliotheek behoren de 'Codex Sinaiticus' (4e eeuw), het evangelieboek van Demetrios uit
Ostromir (11e eeuw), de bibliotheek van Voltaire, die Catharina II in 1728 verwierf en handschriften van Peter de
Grote, Diderot, Napoleon, enz.
Het Ostrovskijplein wordt beheerst door het Poesjkintheater, door Karel Rossi tussen 1828 en 1832
gebouwd. Tot 1937 heette het Alexandratheater, naar de gemalin van Nicolaas I. In 1752 werd Fjodor Volkov, die
twee jaren daarvoor in zijn geboortestad Jaroslavl de eerste vaste schouwburg van Rusland had opgericht, met zijn
medewerkers uitgenodigd aan het Peterburgse hof. Daar het gezelschap niet aan de verwachtingen van het hof
voldeed lijfde Elizabeth het in in haar 'kadettencorps', dat geenszins een militaire instelling was, maar een school voor
toneelspelers, zangers en dansers. In 1755, drie jaren later, stelde Aleksandr Soemarokov een nieuwe toneelgroep
samen waarvan Volkov de eerste tragediespeler was. In 1836 was in het Alexandratheater de première van 'De
Revisor' van Gogol. Omstreeks 1850 volgden de stukken van Toergenjev en Ostrovskij. In 1887 werd 'Macht der
duisternis' van Tolstoj verboden. Na de oktoberrevolutie verschenen de tot dan verboden drama's van Maxim Gorkij
op het toneel.
De hoofdgevel van het classicistische theater, met een loggia met zes zuilen, is gelegen aan de Nevskij Prospekt.
Nissen met beelden van de muzen Terpsichore (dramatische koorzang) en Melpomene (tragedie) flankeren
de loggia. Reliëfs van de godinnen van de roem sieren de door het vierspan van Apollo gekroonde attica. Om het hele
gebouw loopt een fries met maskers en guirlandes. De beeldhouwers Pimenov,
Dalmoet-Malinovskij en Triscorni maakten de ornamenten. Achter het theater loopt de
unieke Rossistraat naar de Fontanka.
Aan de oostzijde van het Ostrovskijplein staat een smeedijzeren hek tussen twee mooie paviljoens van Karel
Rossi (1817-1818). De 'tuin van de rust' aan de overkant van het hek behoort tot het Anitsjkovpaleis, een van de
vroegste gebouwen aan de Nevskij Prospekt. In 1741 verwierf tsarina Elizabeth het stuk grond waarop nu het
Ostrovskijplein ligt; het paleis is genoemd naar de commandant van een geniebataljon Michail Anitsjkov, die in
1715 de eerste houten brug over de Fontanka bouwde.
Tussen 1744 en 1750 bouwde de architect C. Dmitrijev volgens de ontwerpen van zijn overleden leermeester M.
Semzov het Anitsjkovpaleis. Dit paleis schonk de tsarina aan haar geliefde en morganatische echtgenoot Aleksej
Rasoemovskij. Hij was een boer uit de Oekraïne en was wegens zijn schitterende stem naar Petersburg gehaald en
zong daar in het koor van het Winterpaleis; hij maakte zoveel indruk op de tsarina dat ze verliefd op hem werd. Na
de dood van Rasoemovskij in 1771 viel het paleis weer onder de kroon. In 1776 schonk Catharina II het aan haar
geliefde Potjomkin, die altijd in de schulden zat en derhalve het bezit aan de koopman Nikita Sjemjakin verkocht.
Catharina kocht het paleis terug en schonk het opnieuw aan Potjomkin, die vermetel genoeg was om het in 1785 opnieuw te verkopen, dit keer aan de schatkist. Vanaf
dat
moment bleef het paleis eigendom van de kroon en werd als woning toegewezen aan de heersende troonopvolgers of
leden van de tsarenfamilie. Maria Fjodorovna (Dagmar van
Denemarken), de moeder van Nicolaas II, woonde hier als laatste tot 1917.
Telkens als er een nieuwe eigenaar kwam werd het Anitsjkovpaleis verbouwd: door Starov, die op de
zijvleugels een verdieping plaatste (1778), door Quarenghi, die de winkelcolonnade langs de Fontanka ontwierp (1803),
door Rusca, die het kabinet uitbouwde (1807), door Rossi, die het perceel drastisch reduceerde en tevens de beide
tuinpaviljoens ontwierp (1816) en door Rahau, die het paleis van een vestibule voorzag (1875). Van het
oorspronkelijke paleis is dus slechts weinig overgebleven.
Hoewel het Anitsjkovpaleis in 1935 het Pionierspaleis van Leningrad werd, bleven de vestibule, het trappenhuis, de
vier salons, de wintertuin en de zuilenzaal net zo gedecoreerd en ingericht als ten tijde van de tsaren.
Tegenwoordig kunnen honderden jongeren in het paleis hun hobbies uitleven: dansen, musiceren, talen leren, schaken,
schakelborden maken en met computers spelen.
Het opvallende jugendstilgebouw aan de andere kant van de straat bouwde de architect Baranovskij in 1907 voor de
gebroeders Jelisejev, die op de benedenverdieping een bekende delicatessenwinkel en daarboven een theater
hadden. Nog steeds is er beneden de delicatessenzaak Gastronoom nr. 1 met daarboven het Komedietheater.
De roze granieten Anitsjkovbrug over de Fontanka ontstond tussen 1839 en 1841. Hij kwam in de plaats van een smalle
stenen brug van het einde van de 18e eeuw, die nog
voorzien was van torens en draagkabels. Nóg eerder gebruikte men de houten
constructie over de rivier die de militaire ingenieur Michail Anitsjkov in 1715 had
gebouwd.
Beroemd werd deze nieuwe brug door de schitterende paardentemmers, die de beeldhouwer Peter Klodt von
Jürgensburg modelleerde. Elk van de vier standbeelden stelt een andere fase voor van de worsteling tussen een
jongeling en een wild paard. Nicolaas I schonk zijn zwager Frederik Willem IV van Pruisen twee afgietsels van de
paardentemmers, die in de buurt van het koninklijke slot in Berlijn werden geplaatst.
Nog een afgietsel bevindt zich in het park van het Teatro San Carlo in Napels. Klodt von
Jürgensburg werd uitverkoren om lid te worden van de Pruisische, Franse en Italiaanse Academie van Schone
Kunsten.
Aan de oostelijke oever, tegenover het Anitsjkovpaleis, weerspiegelt de dieprode gevel van het
Belosselskij-Beloserskijpaleis zich in het water van de Fontanka. Andrej Stakenschneider verbouwde dit
classicistische paleis in de stijl van de Russische barok. De opdrachtgeefster was de vorstin J.P.
Belosselskaja-Beloserskaja, die het voor haar zoon Konstantin Jesperevitsj liet bouwen. In 1884 trok grootvorst
Sergej Aleksandrovitsj in het paleis. Nadat zijn neef Nicolaas II hem had aangesteld als gouverneur van Moskou
werd hij tijdens de revolutie van 1905 vermoord. Atlanten in barokstijl dragen
driekwartzuilen die de donkere zalmroze gevels accentueren. Tegenwoordig zetelt het
partijbureau van het district Koejbisjev in het paleis.
Aan de overkant van de Fontanka, die tot ver in de 19e eeuw de stadsgrens van Sint-Petersburg vormde, zijn er
aan de Nevskij Prospekt geen bezienswaardigheden meer.
In de naar het zuiden afslaande Maratstraat bevindt zich in het huis op nr. 24a het in 1937 opgerichte Museum van de
Noord- en Zuidpool, het enige museum in zijn soort ter
wereld. Hier vindt u alles wat met de exploratie van de beide polen te maken heeft: landkaarten met
expeditieroutes, scheeps-modellen, uitrustingsstukken, meetapparaten, foto's, dagboeken, enz.
Bij het Moskouse station komt u op het Plein van de Opstand. In 1851 werd het eerste traject voor de lange
afstand in Rusland, de Nicolaaslijn van Sint-Petersburg naar Moskou geopend. Tegenwoordig rijden er op dit traject
treinen met een snelheid van meer dan 200 km per uur.
Het stationsgebouw (1849-1851) ontwierp de architect Konstantin Thon en in 1951
werd het door V. Koesnetsov zonder uiterlijke veranderingen gemoderniseerd. Rechts
van het station en in het grote paviljoen aan de overkant van het plein zijn de ingangen naar het metrostation
Plotsjtsjad Vosstanija. In het roodmarmeren station zijn scènes van de oktoberrevolutie afgebeeld.
Toen er op 27 februari 1917 op het Marsveld vuurgevechten tussen eenheden van het Pavlovse garderegiment en de
regeringsgezinde troepen ontstonden, weigerden eenheden van dit regiment op het Plein van de Opstand, dat toen het
Snamenskajaplein heette, op onbewapende demonstranten te schieten.
Aan de Ligovskij Prospekt, die voor het Moskouse station de Nevskij Prospekt kruist en tot de grote verkeersaders van
de stad behoort, ligt Hotel Oktjabrskaja, dat gelijktijdig met het station werd gebouwd en in 1961 verbouwd en vergroot
werd.
Ongeveer 300m ten noorden van het hotel bouwden de architecten Valentin Kamenskij en Jean
Versjbitskij in 1967 aan dezelfde kant van de straat (huis nr. 6) de concertzaal Oktjabrskij (= oktober), met 4000 plaatsen de
grootste concertzaal van Sint-Petersburg. Op de 50e herdenkingsdag van de oktoberrevolutie
weerklonk tijdens de openingsplechtigheid de 7e symfonie, de 'Leningrader',
van Dmitrij Sjostakovitsj. De bronzen fries boven de ingang is van Michail Anikoesjin; als thema nam hij de
oktoberopstand. De beeldengroep Oktober voor de hoofdingang schiep Aleksandr Matvejev in 1927.
De Nevskij Prospekt eindigt op het Aleksandr Nevskijplein met het gelijknamige
metrostation en het reusachtige hotel Moskou, dat in de jaren 70 door Valentin
Kamenskij en David Goldgor werd gebouwd.
Achter de halfronde parade-entree met een kleine poortkerk ligt het beroemde Aleksandr Nevskijklooster, een
van de vier Russisch-orthodoxe lavras. In 1240 lukte het Aleksandr Jaroslavitjs, vorst van Novgorod, de Zweden aan
de Neva te verslaan en uit het land te verdrijven. Aleksandr kreeg daarop de bijnaam 'Nevskij' en werd na zijn dood in
1263 heilig verklaard. Peter de Grote, die in de strijd tegen de Zweden in Aleksandr Nevskij zijn voorbeeld zag,
bepaalde in 1710, enkele jaren na de stichting van Sint-Petersburg dus, dat op de plaats aan de oever van
de Neva een klooster ter ere van de heilige moest verrijzen.
Allereerst kwam er een eenvoudige houten kerk, maar al spoedig belastte hij zijn hofarchitect Domenico Trezzini met
de bouw van de kerk van Maria Boodschap-verkondiging (1720-1722). In 1724 liet Peter de Grote het stoffelijk
overschot van de heilige uit Vladimir hiernaartoe brengen.
In 1797 verhief Paul I het klooster tot lavra.
Achter de poortkerk leidt een weg tussen twee muren door twee kerkhoven naar het klooster. Aan de linkerkant geeft
een poort toegang tot het Lazaruskerkhof, de oudste
begraafplaats van de stad. Peter de Grote liet het kerkhof aanleggen na de dood van zijn lievelingszuster Natalja
Aleksejevna, die daar ook werd bijgezet. Verder zijn hier de graven van maarschalk Boris Sjeremetjev († 1719), de
geleerde en dichter Michail Lomonossov († 1765), de wiskundige Leonhard Euler († 1783), de schilder Vladimir
Borovikovskij († 1825), van de beeldhouwer Feodossij Sjtsjedrin († 1825), en de architecten Ivan Starov (†
1808), Andrejan Sacharov († 1811), Thomas de Thomon (†
1813), Andrej Voronichjin († 1814), Giacomo Quarenghi († 1817), Vassilij Stassov († 1848) en Karel Rossi († 1849).
Op het Tichniner kerkhof rechts van de kloosteringang vindt u de graven van de dichters en schrijvers Nikolaj Karamsin
(† 1826), Ivan Krulov († 1844), Vassilij Sjoekovskij († 1852) en Fjodor Dostojevskij († 1881), de schilders Pavel
Fedotov († 1852), Ivan Kramskoj († 1887), Ivan Sjisjkin († 1898), Valentin Serov († 1911) en Boris Koestodijev (†
1927), de beeldhouwers Vassilij Demoet-Malinovskij († 1846), Ivan Vitali († 1855) en Peter Klodt von Jürgensburg
(† 1867) en de componisten Michail Glinka († 1857), Modest Moessorgskij († 1881), Aleksandr Borodin († 1887),
Peter Tschaikovskij († 1893), Anton Rubinstein († 1894), Nikolaj Rimskij-Korssakov († 1908) en Aleksandr Glasoenov
(† 1936).
Aan de overkant van een gracht die met het Obvodnukanaal in verbinding staat
betreedt u het eigenlijke kloosterterrein. Meteen links van de ingang staat de
rood-witte Maria Boodschapkerk. Het schip van de door Trezzini opgetrokken torenkerk heeft twee verdiepingen.
Het bestond uit de eigenlijke Boodschapkerk op de benedenverdieping en de beide bijkerken van de heilige
Aleksandr Nevskij en de heilige Sergios op de bovenverdieping. De kerk diende van meet af aan als
grafkerk van de tsarenfamilie. Daarnaast vond ook de grotemaarchalk Soevorov hier zijn laatste rustplaats († 1800).
Op zijn graf staat het bescheiden opschrift: 'Hier ligt Soevorov'.
Sinds 1954 behoren de kerk en debegraafplaatsen van het Nevskijklooster tot het Museumvan stedelijke sculpturen.
Aan de oostelijke rand van het kloostercomplex staat de machtige Kathedraal van de
Allerheiligste Drieëenheid, een classicistisch bouwwerk van Ivan Starov (1790). Een
porticus met zes Dorische zuilen vormt de hoofdfaçade. Aan beide zijden van de porticus staan gedrongen vierkoekige
klokketorens. Op een hoge, van vensters voorziene
tamboer staan vergulde engelen met het symbool van de Aleksandr Nevskijorde, een nationale religieuze gemeenschap die Peter de Grote in 1724 stichtte. Het
interieur van de kathedraal is vol pracht en praal. De standbeelden van de profeet zijn van de hand van Fedot
Sjoebin. Het grote altaarschilderij 'De Aankondiging' is van Anton Rafaël Mengs. Aan de iconstase van wit marmer en
rood agaat vindt u kopieën van de werken van de schilders Rubens, Van Dyck, Il Guercino, Perugino, Reni, enz. De
zilveren reliekschrijn met het stoffelijk overschot van de heilige Aleksandr Nevskij, dat aan het eind van het rechter
zijschip onder een vergulde baldakijn stond, bevindt zich tegenwoordig in de schatkamer van de Hermitage.
In de Drieëenheidskathedraal vinden op werkdagen om 8.30 en 18 uur en zondag om 9.30 en 11 uur erediensten
plaats. De herdenkingsdag van de overbrenging van het
stoffelijk overschot van de heilige (10 september) en zijn naamdag (23 november) worden zeer plechtig gevierd.
Op het kerkhof van de kathedraal onder de hoge bomen liggen vele graven uit de Tweede Wereldoorlog met de rode
sovjetster op de gedenksteen. Achter het kerkhof,
tegenover de hoofdingang van de kathedraal, ligt de residentie van de metropoliet, een barok bouwwerk uit
1758. In het kloostercomplex zijn een theologische academie en een seminarie voor priesters ondergebracht.
Op het kerkhof van Volkovo, een filiaal van het museum van de stedelijke sculpturen, 2 km ten zuidwesten van
het Aleksandr Nevshijklooster, kiggen de graven van de schrijvers Ivan Toergenjev († 1883), Michail Saltukov
(pseudoniem: Sjtsjedrin; † 1889) en Ivan Gontsjarov († 1891), van de chemicus Dimitrij Mendelejev († 1907), van
de fysioloog Ivan Pavlov († 1936) en van de familie Oeljanov met de verwanten van Lenin.
|